Zoek in de HOVON website
Maligne lymfomen, Pathologie Diagnostiek
Versie 1.0 Februari 2011
Algemeen
Maligne lymfomen kenmerken zich door een groot aantal klinisch-pathologische entiteiten met een eigen presentatie en gedrag. De uiteindelijke classificatie van vrijwel alle lymfomen berust op beoordeling van de histologie, het immunofenotype, moleculair genetische eigenschappen en klinische aspecten. Een volledig overzicht van alle entiteiten is te vinden in de WHO classificatie van 2008.
Initiële classificatie
Voor de classificatie is een weefsel biopt noodzakelijk. Uitzonderingen zijn vochten met localisatie van lymfoblastair lymfoom, Burkitt lymfoom en primaire effusie lymfomen, maar dan wel onder de voorwaarde dat flowcytometrie en vaak ook cytogenetica en/of fluorescente in situ hybridisatie (FISH) kunnen worden uitgevoerd. Uitsluitend cytologisch onderzoek, al of niet met immunocytochemie op glaasjes, is voor de primaire classificatie onvoldoende.
Bij moeilijk toegankelijke diep in het abdomen gelegen tumoren moet als alternatief voor een incisie/excisie biopt het afnemen van 2 tot 3 naaldbiopten overwogen worden. Het relatieve voordeel hiervan is dat dan een haard met de hoogste FDG-PET intensiteit geselecteerd kan worden. Zeker bij intra-abdominaal gelegen folliculaire lymfomen is locale progressie naar een diffuus grootcellig B cel lymfoom immers een veel voorkomend verschijnsel.
Beenmergbiopt
Voor beenmergbiopten geldt dat een minimaal volume noodzakelijk is ter uitsluiting van lymfomen met een focaal groeipatroon. Dit zijn alle lymfomen uitgezonderd acute en chronische lymfatische leukemie en hairy cel leukemie. Wil men een lymfoomlocalisatie van deze lymfomen uitsluiten dan is een lengte van minimaal 20 mm exclusief cortex en weke delen noodzakelijk.
Immuunhistochemie
Naast histologisch onderzoek heeft immunohistochemie een vaste plaats gekregen bij de diagnostiek van alle lymfomen. Dit geldt ook voor het stageringonderzoek op beenmergbiopten. Dit betekent dat pathologen een uitgebreide ervaring moeten hebben met een ruime hoeveelheid voor hen vertrouwde merkers. Daarbij moet zoveel mogelijk gebruik gemaakt worden van vaste panels en merkers die ook in de flowcytometrie gebruikt worden.
Flowcytometrie
Met flowcytometrie van een stukje vers materiaal of beenmerg aspiraat kunnen afwijkende fenotypes en kleine monoclonale B cel populaties veelal gemakkelijk worden opgespoord. Bij grootcellige lymfomen kan de techniek juist falen vanwege de fragiliteit van de tumorcellen. Een negatieve bevinding in de flowcytometrie sluit een maligne lymfoom dus zeker niet uit. Anderzijds moet ook rekening gehouden worden met een valspositieve bevinding, met name waar het bloed en beenmerg betreft bij stagering in oudere patienten en bij toeval een niet relevante “monoclonale B cel lymfocytose” wordt opgespoord.
Cytogenetica, FISH, moleculair onderzoek
Klassieke cytogenetica is een zeer informatieve techniek bij een aantal agressieve lymfomen zoals lymfoblastaire lymfomen en Burkitt lymfomen. Het verdient dan ook aanbeveling om als logistiek mogelijk altijd een stukje vers weefsel hiervoor in te zenden.
Moleculaire diagnostiek is een belangrijk hulpmiddel in de diagnostiek. Clonaliteitsanalyse van de immunoglobuline (BCR) en T cel receptor (TCR) genen is een zeer betrouwbare aanvulling gebleken in het onderscheid tussen veel reactieve en neoplastische aandoeningen en kan mits weefsel goed is gefixeerd en DNA extractie op de juiste wijze heeft plaatsgevonden, vrijwel altijd worden toegepast. Voor de detectie van specifieke translocaties (MYC, BCL2, BCL6, MALT1, ALK) wordt vrijwel uitsluitend gebruik gemaakt van FISH technieken, soms ook van (RT)PCR technieken. Ook deze kunnen vaak op paraffine materiaal worden toegepast. Bij vermoeden op een immuunsupressie gerelateeerde aandoening moet altijd insitu hybridisatie voor Epstein Barr Virus (EBER) worden ingezet. Wat betreft de interpretatie van de resultaten is een goed geoutilleerd laboratorium en ruime expertise noodzakelijk.
Tabel 1. Workup PA diagnostiek maligne lymfomen
|
|
Techniek
|
Folliculair lymfoom
|
Diffuus grootcellig B cel lymfoom
|
Mantelcel lymfoom
|
Andere lymfomen
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Cytologie (FNA)
|
nee
|
nee
|
evt, dan incl. FCM, FISH/ cytogenetica
|
Alleen bij CLL, lymfoblastair lymfoom/ ALL en Burkitt lymfoom in bloed of vochten; FCM en evt. cytogenetica / (F)ISH noodzakelijk
|
|
|
Naaldbiopt*
|
evt, 2-3 biopten
|
evt, 2-3 biopten
|
evt, 2-3 biopten
|
Iha ongeschikt (complexe morfologie)
|
|
Initiële classificatie
|
Endoscopisch/stans/ stereotactisch biopt
|
Primair extranodaal
|
Primair extranodaal
|
Primair extranodaal
|
Vnl bij primair cutane lymfomen
|
|
|
Beenmergbiopt
|
nee
|
evt
|
evt
|
Lymfocytair lymfoom/CLL, hairy cell leukemie, lymfoplasmacytair lymfoom, lymfoblastair lymfoom/ALL, Burkitt lymfoom/leukemie. In combinatie met FCM, cytogenetica / FISH
|
|
|
Chirurgisch biopt
|
voorkeur
|
voorkeur
|
voorkeur
|
voorkeur
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Stadiering
|
Beenmergcytologie
|
nee
|
nee
|
evt, dan incl FCM
|
Alleen bij CLL, ALL en Burkitt lymfoom
|
|
|
Beenmergbiopt
|
ja
|
ja
|
ja
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Cytologie
|
evt
|
ja
|
ja
|
Afh van diagnose
|
|
Diagnostiek recidief
|
Naaldbiopt
|
evt, 2-3 biopten
|
ja
|
ja
|
Afh van diagnose
|
|
|
Chirurgisch biopt
|
ivm kans op transformatie
|
evt
|
evt
|
Afh van diagnose
|
* Gezien de vaak aanwezige fibrose en partial involvement is er geen indicatie
voor naaldbiopten van oppervlakkige hals- en lies klieren; ook naaldbiopten
van mediastinale massa’s zijn nogal eens ontoereikend.
Literatuur:
- WHO classification of Tumours of Haematopoietic and Lymphoid Tissues. Eds Swerdlow SH, Campo E, Harris NL, Jaffe ES, Pileri SA, Stein H, Thiele J, Vardiman JW. IARC, Lyon 2008.
- Ioachim’s lymph node pathology. Ioachim HL, Medeiros LJ. Wolters Kluwer / Lippincott Williams & Wilkins, Philadelphia 2009
- Hematopathology. Eds. Jaffe ES, Harrus NL, Vardiman JW, Campo E, Arber DA. Saunders / Elsevier, Philadelphia 2010



